Het maken van bokking begint met het pekelen van de haring. Daarna hangt men de vis in rookhokken. Bij koud roken (rond de 27°C) duurt het proces langer en blijft de vis rauw van binnen, terwijl warm roken (rond de 74°C) een gaarder resultaat geeft. Traditionele rokerijen in plaatsen als IJmuiden, Katwijk en Noordwijk produceerden vroeger massaal bokking. De vis was goedkoop, voedzaam en leverde essentiële vetten en eiwitten.
Hoewel bokking door de opkomst van goedkoop vlees en moderne koeling behoorlijk aan populariteit verloor, blijft hij geliefd bij een kleine groep Nederlanders. In viswinkels kom je hem nog regelmatig tegen. In de Surinaamse keuken is bokking of boekoe een geliefd ingrediënt: pittig gebakken met ui, tomaat en Madame Jeanettes, vaak geserveerd bij rijst en dal. In Nederland eet men hem puur, soms op brood of verwerkt in stamppotten en salades.
![]() |
| [Haringrokerij in IJmuiden - 1951] |
Het woord 'bokking' is een afgeleide van 'bok'. Waarom, zo zal de lezer zich afvragen? Welnu, de geur van een bok is niet eentje van de meest aangename die je kunt tegenkomen. De geur is het gevolg van allerhande feromonen die het beest uitscheidt. Kennelijk kon een bokking ook wat apart ruiken.
Culinair biedt bokking veel mogelijkheden. De stevige, zoute-rokerige smaak combineert goed met aardappelen, zuurkool of een eenvoudige mosterdsaus. Hij symboliseert de Nederlandse viscultuur en het vindingrijke verleden van kustbewoners die honger wisten te stillen met wat de zee bood.
Vandaag de dag is de bokking meer dan alleen vis: eigenlijk behoort hij tot het vaderlandse cultureel (of culinair) erfgoed. Een eerbetoon aan een tijd waarin gerookte haring letterlijk de motor was van de volkskeuken. Wie ooit een echte spekbokking geproefd heeft, begreep direct waarom deze gerookte haring generaties lang onmisbaar was.






















